Vijf redenen waarom je het beste met je hart kunt stemmen

Misschien herken je het: je weet prima welke partij het beste bij jouw voorkeuren en opvattingen past, maar toch twijfel je of je er op gaat stemmen. Omdat de partij in kwestie een nieuwkomer is en nu nog niet in de Tweede Kamer zit. Omdat jouw partij veel minder zetels gaat halen dan tijdens de vorige verkiezingen. Omdat je een andere partij uit de regering wilt houden. Omdat je bang bent dat jouw partij niet de grootste wordt en ‘dus’ de premier niet gaat leveren. Omdat het een kleine partij is, die waarschijnlijk maar een paar zetels zal krijgen of toch ‘maar’ in de oppositie komt. Je overweegt dus ‘strategisch’ te stemmen en woensdag 15 maart met het rode potlood het vakje voor een andere partij in te kleuren. Maar is dat echt zo slim en krijg je dan een betere uitkomst? Lees vóór je besluit voor de zekerheid even onderstaande vijf redenen waarom je bij je stem beter je hart kunt volgen.

1 De kans dat jouw stem verloren gaat is in ons stelsel relatief klein
Tijdens verkiezingstijd maken politici en media vaak en graag een vergelijking met de VS. Maar de VS hebben echt een heel ander stelsel. In de meeste staten hanteren ze bij verkiezingen voor hun Huis van Afgevaardigden een zogenoemd ‘winner takes all’-stelsel: de kandidaat met de meeste stemmen in een district krijgt alle zetels. Alle kiezers die niet hebben gestemd op die kandidaat, verliezen dan hun stem.
In Nederland tellen wél bijna alle uitgebrachte stemmen mee voor de verdeling van Tweede Kamer-zetels. Het aantal benodigde stemmen voor een zetel wordt bepaald door de kiesdeler. De kiesdeler is het totaal aantal uitgebrachte geldige stemmen, gedeeld door het aantal beschikbare zetels (150). Het aantal zetels voor een partij wordt berekend door het aantal stemmen op die partij te delen door de kiesdeler, en naar beneden af te ronden. Tijdens de laatste drie verkiezingen werden iedere keer ruim 9 miljoen stemmen uitgebracht en lag de kiesdeler op ca. 62.000-65.000 stemmen. Een ‘verliezende’ partij met bijv. ‘maar’ 3% (275.000) van de stemmen, wint dan al vier zetels in de Tweede Kamer. In ons stelsel kunnen juist partijen met kleinere aanhang en ‘nieuwkomers’ makkelijk in de Tweede Kamer komen. In de VS valt er wat voor te zeggen om strategisch te stemmen, in Nederland niet.

2 Een strategische stem kan juist een averechts effect hebben
Juist in ons politieke stelsel is de uitkomst van een strategische stem onzeker. Kiezers kunnen namelijk met een strategische stem wel de samenstelling van de Tweede Kamer beïnvloeden, maar niet welke partijen vervolgens samen een regering vormen. Een eerste voorbeeld: zoals Peter van der Heiden beschrijft was er tijdens de verkiezingen in 2012 sprake van een tweestrijd tussen de PvdA en de VVD. Veel kiezers stemden ‘strategisch’ op de PvdA of op de VVD in plaats van hun eigen voorkeurspartij, in de hoop op een sterk links dan wel rechts georiënteerd kabinet. Wat was het resultaat? Geen links of rechts kabinet, maar een coalitie bestaande uit de twee grootste partijen: de PvdA en de VVD. Een tweede, recenter voorbeeld: sommige kiezers van GL, PvdA, D66 en CDA overwegen 15 maart VVD te stemmen om te voorkomen dat de PVV aan de macht komt. Uit de analyse van Niels Spierings blijkt dat deze kiezers met hun strategische stem juist de kans verhogen dat Wilders in de regering komt als de VVD de PVV uiteindelijk toch niet uitsluit, óf in het geval de VVD wel de PVV uitsluit, de VVD bij coalitievorming alleen maar een betere onderhandelingspositie geven ten opzichte van hun eigen voorkeurspartij! Met een strategische stem kan je kortom je eigen glazen ingooien.

3 De huidige versnippering in stemmen biedt kansen voor veel partijen
Check de recente peilingen en je ziet dat de stemmen voor partijen flink versnipperd zijn. Er zijn geen grote uitschieters. De populairste partijen komen allemaal nauwelijks boven de 18-25 zetels uit. De coalitiechecker laat zien dat er op basis van de peilingen van 13 maart geen meerderheidscoalitie mogelijk is met twee of drie partijen. Als je rekening houdt met de uitsluiting van de PVV als regeringspartner door vrijwel alle partijen, is er zelfs maar één coalitie van vier partijen mogelijk: VVD, CDA, D66, GL. Deze coalitie heeft echter niet een hele grote meerderheid in de Tweede Kamer: 85 zetels. De laatste dagen laten peilingen nog verschuivingen zien in stemmen voor deze vier partijen en het aantal zwevende kiezers is hoog. De definitieve uitslag kan dus nog tot verrassingen leiden. Een andere coalitie van vier, vijf of zelfs zes partijen kan daarom ook een reëel alternatief worden. Door de versnippering maken veel partijen, grote, middelgrote en kleine, een kans op een plek in de toekomstige regering én dus op invloed op het beleid.

4 De grootste partij levert niet per definitie de premier
De strijd wie de grootste partij wordt is nog gaande. De VVD staat in de peilingen van 12 maart aan kop, maar wordt op de hielen gezeten door de PVV, het CDA en D66. Hoewel een term en format als ‘Premiersdebat’ anders suggereert, kiezen wij in Nederland niet onze premier. Gewoonte is dat de partij met de meeste stemmen het initiatief krijgt om een coalitie te vormen, maar die partij hoeft daar niet altijd in te slagen. In 1977 bijv. kwam de grote winnaar, de PvdA, niet in de regering omdat coalitievorming met de nummer twee, het CDA, niet van de grond kwam. Het CDA wist wel een coalitie te vormen met de VVD, en leverde uiteindelijk ook de premier (Van Agt). Mocht de PVV 15 maart de grootste worden, dan is er een grote kans op een soortgelijk scenario: de meeste partijen willen niet met de PVV in zee. De premierstitel gaat dan aan Wilders zijn neus voorbij. Maar ook Rutte wordt alleen premier als hij daadwerkelijk een coalitie weet te vormen.

5 Een oppositiepartij heeft ook invloed!
Ook een partij die niet in de coalitie of ‘achterkamertjes’ zit kan een stempel zetten op beleid. Zo kan een oppositiepartij in de kamercommissies in een vroeg stadium meedenken over wetsvoorstellen; wijzigingen (amendementen) indienen op wetsvoorstellen en discussiepunten (moties) indienen bij de regering, zoals een verzoek om meer geld of aandacht voor een bepaald beleidsterrein. In de laatste vier jaar hebben ‘harde’ oppositiepartijen als PVV, CDA en SP honderden amendementen ingediend, waarvan er tientallen zijn aangenomen. Ook zijn er wetsvoorstellen ontwikkeld op initiatief van oppositiepartijen: bijv. de initiatiefwet Flexhuren van de CU, de Donorwet van D66 en de Wet Huis voor Klokkenluiders van de SP.
Zelfs een relatief nieuwe oppositiepartij kan binnen korte tijd de politieke agenda beïnvloeden! Onderzoek uit 2010 laat zien dat sinds 2006, toen de Partij voor de Dieren haar entree maakte in de oppositie van de Tweede Kader, er een grote toename in aandacht is voor landbouw en dierenwelzijn in het parlement.
Sinds de kabinetten Rutte I en II is het harde onderscheid tussen coalitie en oppositie sowieso verminderd. De VVD en PvdA hebben vaak samenwerking gezocht met oppositiepartijen als D66, CU en SGP om een meerderheid te krijgen in de Eerste Kamer. Als er na 15 maart weer een kabinet komt zonder meerderheid in de Tweede Kamer (omdat partijen bijvoorbeeld niet met z’n vieren, vijven of zessen willen regeren) of Eerste Kamer, dan krijgen de oppositiepartijen weer veel in de melk te brokkelen.

Vergeet die ‘strategische’ stem. Kies je partij met je hart past en laat je stem gelden op woensdag 15 maart!

 

Advertisements

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s